Oom Nol

 
Hallo Allemaal.
 
Bij deze wil ik me even voorstellen aan jullie ,want jullie zullen wel denken wat is dat weer voor
een vreemde snoeshaan. Nou jullie zullen mij niet kennen maar dat geeft niet want daar stel ik
me voor. Ik ben Oom Nol, een Vutter die de pensioengerechtige leeftijd heeft bereikt omdat hij
vijf en zestig jaar is geworden.Ge zult het niet geloven maar ik heb het zo druk als een klein baasje.
Nou dat ik zogenaamd vrij ben en tijd zat is me dat zwaar tegengevallen ik heb het nog nooit zo druk gehad.Maar ja, we zullen maar roeien met de riemen die we hebben dan komt alles op zijn pootjes terecht.
Ik zag het Levenslicht in Brabant net voordat de Tweede wereldoorlog begon dus de verhalen van toen heb ik van horen zeggen omdat ik gedurende de oorlog nog een beetje te klein was om alles te beseffen en tot me kon laten doordringen.
 
 OVER BEWUSTWORDING GESPROKEN ….
 
Wij zijn de overlevers! Kijk eens naar de veranderingen die wij hebben meegemaakt:
Wij werden geboren …
Vóór : televisie, penicilline, polioprikken, diepvriesvoedsel, kopieerapparaten, plastic, contact lenzen, en … de pil.
Vóór : radar, credit cards, atoomsplitsing, laserstralen, ballpoints, panty’s, afwasmachines, droogmachines, elektrische dekens, airconditioning, en vóór dat de mens op de maan liep.

Wij trouwden eerst en woonden dan samen. Wat ouderwets!

WIj werden geboren …

Vóór er huismannen waren, computerspelletjes, computerhuwelijken en tweelingbanen.

Vóór : kinderdagverblijven, groepstherapie en verpleeghuizen.

In onze jeugd waren kevers insecten en geen Volkswagens en een ontsteking had nog niet te maken met elektronica.

Wij hadden nooit gehoord van TL, TV, CD, FM radio, video, tapedecks, magnetrons, elektrische schrijfmachines, faxen, kunstharten, kunstnieren, tekstverwerkers, printers,floppies, draadloze telefoons, biogarde, emulgatoren, booreilanden, en jongens met oorringen, hippies, yuppies, dinks, BOM vrouwen. 

Wij waren er vóór de A28, E4, B747, de TGV, de HSL en de oecumene, vóór de AOW, WAO, WW of de VUT. Toen betekende “Made in Japan”: rommel.

Wij hadden nooit gehoord van pizza’s, MacDonald’s, en instant koffie. 

In onze tijd betekende HEMA: Hollandse Eenheidsprijzen Magazijn en een zakhorloge kostte daar ƒ 1,--.

IJsco’s kostten 3, 5 of 10 cent.

 Een brief kon je voor 7  1/2 cent versturen.

Een nieuwe auto kostte ƒ 2000,--, maar bijna niemand kon dat betalen.

Benzine kostte 10 cent per liter.

In die tijd was roken chique en interessant.

Pot was iets om in te koken. Aids was het Engelse woord voor helpers.

Een relatie had met zaken doen te maken en niet met een bed.

LAT en LAST- relaties kenden wij niet.

Wij wisten niet wat eten uit de muur was.

De kleur roze had met babies te maken en homo betekende mens. 

Wij waren er niet vóórdat het onderscheid tussen seksen werd ontdekt, maar wel vóór het kunnen veranderen van sekse.

Wij moesten het doen met wat wij hadden of waren.

De Viagra-pil was ons totaal onbekend (n.b. deze regel is later door iemand toegevoegd!)

Wij zijn de laatste generatie die nog dacht dat je een man moest hebben om een baby te krijgen.

Geen wonder dat wij soms zo in de war zijn en dat er een generatiekloof is.

Maar wij hebben het overleefd.  En dat is iets om trots op te zijn.

 De kinderen van tegenwoordig worden in de watten gelegd. Ben je als kind opgegroeid in de 50er, 60er of 70er jaren, dan is het terugkijkend, onvoorstelbaar, dat je zo lang hebt kunnen overleven!

Als kind zaten we in de auto, zonder gordel en zonder airbags.

Onze bedjes waren geschilderd in prachtige kleuren met verf vol met lood en cadmium, waar we onze tandjes op konden testen.

De medicijnflesjes uit de apotheek konden we gewoon open krijgen, evenals overigens de fles met chloor. Niets geen veiligheidssluiting.

Deuren en ramen bedreigden voortdurend onze vingertjes. Je vingertjes  klemmen was de beste leerschool om voor een volgende keer op te passen. De praktijk is immers de beste leermeester!

Op de fiets hadden we nooit een helm op.

We dronken water met de mond aan de kraan in plaats van uit een fles.

We bouwden zeepkisten en kwamen er pas op de eerste rit, bergafwaarts, achter, dat we geen rem hadden. Na enige ongelukken konden we daar prima mee omgaan.

’s Morgens gingen we naar buiten om te spelen. We bleven de hele dag weg en moesten pas thuis zijn als de straatlantaarns aangingen. Niemand wist waar we waren en we hadden geen mobiele telefoon bij ons.

We sneden ons, braken onze botten en tanden en er werd niemand aangeklaagd. Het waren gewoon ongelukken en de enige die schuld had waren we zelf.

We hadden vechtpartijen en sloegen elkaar een blauw oog. Daar moesten we mee leven. Volwassenen interesseerden zich daar niet voor. Hun reactie was: “Je moet je haar maar terughalen!”

We aten brood met dikke roomboter, genoten van de vette “kanen”, dronken Cola en werden evengoed niet te dik.

We dronken met vrienden uit dezelfde fles en niemand ging daar dood aan.

Als we “gewond” raakten en er bloed vloeide, dan waren er geen speciale handschoenen uit voorzorg om niet besmet te raken.

We hadden geen Playstation, geen Nintendo, geen X-box, geen videogames, geen 64 tv-zenders, geen surround-sound, geen eigen tv, geen computer en ook geen internet chatrooms.

Wat wij wél hadden waren VRIENDEN.

We gingen gewoon naar buiten en daar kwamen we elkaar tegen. We gingen naar hun huis en belden aan. Of we gingen soms gewoon naar binnen zonder aan te bellen, gewoon achterom. En dat zonder van tevoren af te spreken en zonder dat onze ouders dat wisten.

Niemand bracht ons en niemand haalde ons weer op. Hoe was dat in godsnaam mogelijk?

We bedachten zelf spelletjes met stokken en tennisballen. We vermaakten ons met slootje springen. We aten wurmen en die leefden echt niet voor altijd in onze magen verder en we konden rustig kauwen op zuring. Met de stokken prikten we elkaar bijna nooit in de ogen en als dat tóch eens gebeurde, dan was dat niet “expres”.

Met voetballen op straat mocht je alleen meedoen als je goed genoeg was. Als je niet goed genoeg was, moest je met teleurstellingen leren omgaan.

Sommige kinderen waren niet zo goed op school als anderen. Ze haalden onvoldoendes en bleven zitten. Dat leidde niet tot emotionele ouderavonden of zelfs tot veranderde prestatienormen.

Als je met een mes naar school ging, dan deed je dat om op de speelplaats “landje te veroveren” of katjes af te kunnen snijden voor je moeder.

Soms hadden onze daden consequenties. Dat was logisch en daar kon zich niemand voor verstoppen. Als iemand van ons iets gedaan had wat verboden was, was het normaal dat je ouders je er niet uithaalden. Integendeel, ze waren het met de politie en de onderwijzer eens! Stel je voor! En je kreeg nog extra straf op de koop toe. “Je zult het wel verdiend hebben. Ze geven geen straf voor niks”, was hun commentaar

Onze generatie heeft veel probleemoplossers en uitvinders, die bereid zijn risico’s te nemen, voortgebracht.

We hadden vrijheid, we kenden onze plichten, we hadden succes en namen verantwoording.

Met al die zaken konden we zeer goed omgaan.

Bij die generatie hoor jij ook. Wees blij, dat je er toen bij was.

 

 

HOME

   

NEXT